102 Lithium
1 Indicaties voor aanvragen
- monitoring van gebruik van lithium.
- verandering van (co-)medicatie. Veel stoffen hebben invloed op de lithiumconcentratie, ook een wijziging van preparaat - bv. van Li-carbonaat in Li-citraat of omgekeerd.
2 Therapeutische dalconcentratie:
profylactische behandeling manie: 0,6 - 0,8 mmol/l.
recidief-manie, behandeling: 0,8 - 1,2 mmol/l.
Het therapeutische gebied en het gebied waarin verhoogde kans op bijwerking
bestaat
overlappen elkaar.
verhoogde kans op bijwerking: 1,0 - 1,4 mmol/l.
toxische reactie: 1,5 à 2,0 mmol/l.
Patiënten die langere tijd op spiegels boven 1,0 mmol/l staan hebben
onverantwoord hoge kans op bijwerkingen, in het bijzonder nierfunctiestoornis.
Bij dalspiegels boven de 1,5 à 2,0 mmol/l dient men de therapie
24 uur te staken en daarna aan de hand van serumspiegels weer te doseren.
3 Onverwacht hoge waarden bij:
in serum
- patiënt is niet therapietrouw.
- gebruik thiazidediureticum (verlaagt klaring).
- gebruik van een stof die de lithiumconcentratie kan verhogen.
- nierinsufficiëntie.
- natrium-arm dieet
in plasma
- zie boven.
- is bij bloedafname lithiumheparine als anticoagulans gebruikt?
Onverwacht lage waarden bij:
- natrium bevattende medicatie, veel vocht.
4 Opmerkingen
- NB. De dalspiegel moet precies 12 uur (11 - 13 uur) na laatste inname worden afgenomen (patiënt goed instrueren).
- (poliklinische) instelling van dosis geschiedt op grond van (dagelijkse) bepalingen van lithium.
- frequentie van bepalingen:
Routinecontroles
instellen:
begin met dosis 2x daags 5 - 6 mmol/dag. (Li-carbonaat: 180mg - 220 mg, Licitraat (450 - 560 mg). Na 1 week serumspiegel bepalen en dosis aanpassen tot 0,6 - 0,8 mmol/l serum.
chronische lithiumtherapie:
lithiumspiegel bepalen elke 2 maanden.
urinevolume bepalen elke 2 maanden
bloedbeeld bepalen elke 6 maaden.
TSH bepalen elke 6 maanden.
gewicht bepalen elke 12 maanden.
ECG bepalen elke 12 maanden
zwangerschap
lithium niet of zo laag mogelijk geven. In 2e en 3e trimester regelmatig
controleren in verband met toegenomen klaring.
ziekte of natrium houdende medicatie
frequenter controleren (water- en zoutbalans beïnvloeden de lithiumconcentratie).
- toxische grens ca. 1,5 mmol/l. Het verschil tussen subtherapeutische en toxische concentratie is klein. NB. Bij >2,5 mmol/l patiënt naar spoedpolikliniek verwijzen.
- antipsychotica kunnen de neurotoxiciteit door lithiumtherapie verhogen.
- bij chronisch lithiumgebruik kan hypercalciëmie, hypermagnesiëmie en nefrogene diabetes insipidus ontstaan. Ook is soms hypothyreoïdie, zelden hyperthyreoïdie, beschreven. Regelmatige controle schildklierfunctie is gewenst.
- er is een wederzijdse beïnvloeding tussen nierinsufficiëntie en lithiumintoxicatie.Hoe hoger de lithiumconcentratie, des te lager de lithium klaring. M.a.w., lithium versterkt dan zijn eigen intoxicatie. Regelmatige controle van de nierfunctie is gewenst.
- een ernstige lithiumintoxicatie, waarbij dialyse mogelijk noodzakelijk is, hangt naast een hoge serumconcentratie ook af van het klinische beeld zoals nierfalen, hartritmestoornis, coma.
Print deze pagina
Copyright © 2012 SAN -
info@de-san.nl