131 Wormen en wormeieren
A Indicaties voor aanvragen
- buikklachten (soms vage) met of zonder diarree.
- eosinofilie na bezoek aan tropen of Oost- c.q. Zuid-Europa of Amerika.
- proglottiden in feces.
- pruritus ani.
Bij aanvraag zijn gegevens als reisanamnese, koorts, aspect ontlasting en
ziekteduur zinvol i.v.m. richtingbepaling van het onderzoek. Zie onder C,
tweede opmerking.
B Uitvoering
- ad materiaal: voor onderzoek op Enterobius wormen: opvangen van eieren met plakband, aangebracht ‘smorgens vóór de wasbeurt. Deze procedure wordt toegepast daar de wormen zich bij voorkeur peri-anaal afzetten.
- ad diagnostiek:
- microscopie. Microscopie van proglottiden, bv. van Taenia saginata en (overigens niet endemische) T. solium proglottiden die van elkaar kunnen worden onderscheiden op grond van de vorm van de uterus. Het onderscheid is klinisch van belang (o.a. in verband met mogelijke ontwikkeling van een cysticercose). Microscopie van eieren, bv. Hymenolepis nana, mijnwormen.
- serologie, als wormen geen eieren produceren (bv. van uit o.a. Middellandse Zee gebied geïmporteerde hondenlintworm Ecchinococcus granulosus).
C Opmerkingen
- eieren en cysten worden intermitterend uitgescheiden. Het niet vinden van eieren hoeft niet altijd uitsluiting van worminfectie te betekenen.
- andere verschijnselen als hoesten, kortademigheid kunnen optreden bij bv. acute Strongyloïdes of Schistosoma of mijnworm infecties; urticaria bij bv. echinococcosis, Strongyloïdiasis of Schistosomiasis. Laboratoriumonderzoeken op Strongyloïdiasis of Schistosomiasis worden apart behandeld.
Print deze pagina
Copyright © 2012 SAN -
info@de-san.nl