29 Eiwitspectrum
1 Indicaties voor aanvragen eiwitspectrum
Het eiwitspectrum is weliswaar bij vele aandoeningen gestoord doch vanwege de geringe specificiteit van het eiwitspectrum voor de meeste van deze aandoeningen is het aantal indicaties voor aanvragen van het eiwitspectrum in de eerste lijn beperkt.
- verdenking op maligne monoklonale gammopathie: herhaalde infecties (longen of urineweg), laag Hb, kyfose, pijn in rug of ledematen, spontaan optredende fracturen, polyneuropathie.
- de CBO richtlijn ‘Monoklonale Gammopathie’(2001) geeft volgende laboratoriumbevindingen als indicatie:
- verhoogde BSE zonder ontstekingsverschijnselen of aanwijzingen voor infectie.
- hypercalciëmie.
- hoog totaal eiwit.
- hypogammaglobinemie.
- onverklaarde proteïnurie.
Het eiwitspectrum geeft een indruk van de verdeling (’spectrum’) van een aantal eiwitcomponenten in bloed (c.q. urine). Er zijn eenvoudige en goede methoden voor de kwantitatieve bepaling van vele specifieke eiwitcomponenten in bloed, zoals IgA, haptoglobine, transferrine, albumine, globulinen als geheel, enz. Voor indicaties voor aanvragen van deze eiwitcomponenten: zie aldaar.
2 Referentiewaarden:
De afwijkende uitslagen worden meestal in ‘verhoogd’ of ‘verlaagd’
aangegeven.
3 Afwijkingen in serum o.a.:
- albumine, CRP en haptoglobine: zie aldaar.
- aanwezigheid paraproteïne (‘M-proteïne’):
hematologische maligniteit, bv.: multipel myeloom, M.Waldenström, chronische lymfatische leukemie (in sommige gevallen). benigne paraproteïnemie (Am: MGUS), komt vooral voor bij ouderen (ca. 5 - 15%, toenemend % in oudere leeftijdsgroepen). Een benigne vorm kan ook gevonden worden bij een auto-immuunziekte (RA, SLE, e.d.), sommige neurologische aandoeningen, sarcoïdose, enz.
- verlaagd globuline (berekend uit totaal eiwit minus albumine): stoornis in aanmaak van immunoglobulinen, bv. erfelijk van IgA, ondervoeding, verlies via nier.
- verhoogd globuline (berekend uit totaal eiwit minus albumine): vele chronische ontstekingen, auto-immuunziekten als chronische autoimmuunhepatitis, SLE, cirrose, monoklonale gammopathie.
4 Opmerkingen
- bij onderzoek naar paraproteïne (‘M-proteïne’) moet ook onderzoek op paraproteïne in urine worden uitgevoerd. Eveneens in urine als bepaling van paraproteïne in serum negatief uitvalt en anamnese sterk indicatief is. Er kan namelijk sprake zijn van zg. lichteketenproteïnurie (monoklonale lichte ketens van een immunoglobuline, die in de urine zijn uitgescheiden).
- bij multipel myeloom treden, m.n. in stadia II en III, anemie, hypercalciëmie (cave), verhoogd kreatinine (‘Kahler nier’) en skeletafwijkingen op. In sommige gevallen nefrotisch syndroom. Verschijnselen passend bij hypercalciëmie syndroom zijn braken, malaise, dorst, polyurie. De tussen kuren thuis verblijvende patiënt dient in eerste lijn regelmatig gecontroleerd te worden op calcium, kreatinine en hydratietoestand.
- in sommige gevallen is benigne paraproteïnemie (MGUS) een voorbode van maligne ontaarding. Halfjaarlijks vervolgonderzoek is aangewezen (blijft paraproteïnemie stabiel en constant?).
- bij vermoeden van immuundeficiëntie (cave jonge kinderen) is specialistische verwijzing gewenst.
- een verhoogd gamma-globuline (verhoogd IgG) met verhoogd ALAT en negatieve uitkomsten van virusserologie wijzen tezamen in de richting van auto-immuunhepatitis. Verwijzen is noodzakelijk. Bij de diagnose van auto-immuunhepatitis (tweede lijn) kan een test op de aanwezigheid van een combinatie van enkele auto-antistoffen, bv. ANA en anti-SLA (= antistoffen tegen oplosbaar leverantigeen) en anti-SMA (= antistoffen tegen glad spierweefsel) waardevolle hulpmiddelen zijn. Bij sommige patiënten evenwel ontbreken deze antistoffen.
Print deze pagina
Copyright © 2012 SAN -
info@de-san.nl