30 Eosinofilie
1 Indicaties voor aanvragen
- atopische aandoening (enige bijdrage aan diagnose).
- aanvullend onderzoek vermoede parasitaire infecties; is met name bij onderzoek van patiënten terugkerend uit de tropen van belang. Eosinofilie is dan in eerste instantie een indicatie voor een worminfectie. Meest voorkomende importwormziekten zijn: ascariasis, strongyloïdiasis, larva migrans cutanea, filariasis en acute schistosomiasis. Voor overige aandoeningen te weinig onderscheidend vermogen voor oordeelsvorming.
2 Referentiewaarden:
volwassenen 0,04 - 0,30 x10
9/l.
kinderen tot 1 jaar 0,04 - 0,70 x10
9/l.
kinderen tot 10 jaar 0,04 - 0,55 x10
9/l.
3 Verhoogde waarden bij:
- allergische aandoening (bv. astma, allergische rinitis, atopische dermatitis).
- worminfecties (tijdens invasieve fase), bv. na bezoek aan tropen.
- auto-immuunziekten (reumatische artritis, M. Sjögren, polyarteriitis nodosa). In sommige gevallen.
- huidziekten, bv. bij herpes dermatitis (soms), pemphigus.
- sommige maligne (hematologische) aandoeningen (bv. leukemie, M. Hodgkin) en solide tumoren.
- na bestraling (in ca. 40% der gevallen).
- sommige medicijnen (bv. triamtereen, methyldopa, allopurinol, propanolol).
- M. Addison (sommige gevallen, geringe verhoging).
- soms na vergiftiging (bv. arsenicum).
- zeldzaam: hypereosinofiel syndroom (zie STRONGYLOIDES STERCORALIS), erfelijke hypereosinofilie.
Verlaagde waarden bij:
- stress (bv. acute ernstige bacteriële infectie, postoperatief, trauma).
- toediening van glucocorticosteroïden (soms).
- Cushing syndroom, acromegalie, lupus erythematodes disseminatus.
4 Opmerkingen
- bij kinderen kan eosinofilie als toevalsbevinding duiden op een parasitaire infectie of passen bij een allergische constitutie.
- de meest voorkomende oorzaken van hypereosinofilie zijn allergie (vooral allergische reacties op medicijnen) en parasitaire ziekten.
- normale uitlagen van eosinofiele granulocyten sluiten een parasitaire infectie niet uit. Algemeen gesteld, treedt na infectie met parasieten eosinofilie het meest op tijdens innig contact met menselijk weefsel, bv. tijdens migratie. Eosinofilie is gering of afwezig bij afkapseling van de larven, bv. bij echinococcosis. Protozoaire infecties als bv. malaria geven geen eosinofilie.
- in SAN Handboek 2002, hoofdstuk 10.3, wordt gewaarschuwd om bij patiënten die uit tropen terugkeren en bij wie behandeling met corticosteroiden of cytostatica wordt overwogen, eerst de ontlasting te laten onderzoeken op larven van Strongyloïdes stercoralis of serologisch onderzoek te laten doen naar antistoffen tegen Strongyloïdes: bij aanwezigheid van strongyloïdiasis kan een dergelijk behandeling een (vaak fatale) hyperinfectie provoceren.
Print deze pagina
Copyright © 2010 SAN -
info@de-san.nl