diabetes geassocieerd met aandoeningen van endocriene oorsprong (Cushing syndroom, feochromocytoma, enz.) of met aantasting pancreas bètacellen (pancreatitis, cystische fibrose, hemochromatosis, enz.) of t.g.v. bepaalde farmaca (bv. langdurige prednisolon therapie).
(voorbijgaand) als gevolg van stress (koorts, emotionele stress, sterk vermageringsdieet, na hartinfarct).
Verlaagde waarden bij:
(<3,1 mmol/l in plasma of <2,7 mmol/l in bloed):
bij diabetes m.: complicatie van instelling. Bv. extra inspanning zonder vermindering van insulinedosis, verandering in voedingspatroon, nachtelijke hypoglycemie als bijwerking van medicatie. Risicofactoren voor bijwerking zijn o.a.: verlengde halfwaardetijd medicatie, gestoorde nierfunctie.
zg. nuchtere hypoglycemie of hypoglycemie bij langer vasten. Bv. alcoholgebruik zonder vooraf enig voedselgebruik (cave) of met gebruik sommige medicijnen, (zelden) insuline producerende tumor, deficiëntie aan een insuline contraregulerend hormoon (bijnierschorsinsufficiëntie: cortisol; hypopuitarisme: groeihormoon).
psychotische zelftoediening van insuline of sulfonylureum e.d.
na langdurig vasten of zeer intensieve inspanning.
volgens JAMA 2000; 284: 3157-3159 zou de ‘nuchtere’ afname voor glucose ten behoeve van onderzoek op diabetes m. in de vroege morgen dienen te geschieden. Het is wenselijk dat de patiënt dan niet onder acute stress staat.
de NHG beveelt 3-jaarlijks onderzoek op glucose aan o.a. bij alle personen >45 jaar met:
etnische belasting, bv. Hindoestaanse afkomst.
familiaire belasting met D.M. type 2.
hypertensie en/of hart- en vaatziekten c.q. obesitas.
vrouwen die zwangerschapsdiabetes hadden.
zg. glucosemeters tonen een vrij grote spreiding (ca.15%), hetgeen betekent dat, vooral bij uitslagen rondom grenswaarden, het gewenst is de glucose nogmaals te laten bepalen in een klinisch laboratorium. Glucosemeters kunnen verschillend zijn afgeijkt (op bloed- c.q. plasmawaarden) waardoor onderlinge verschillen in meetresultaten van ruim 10% kunnen optreden.
bij de interpretatie moet bekend zijn of veneus of capillair bloed afgenomen is, of de bepaling in volbloed of plasma is uitgevoerd en of de patiënt al dan niet nuchter was e.d. en op welk soort monsters de gehanteerde referentiewaarden voor het stellen van de diagnose ‘diabetes m.’ betrekking hebben.
personen bij wie de glucose bepalingen bij herhaling uitslagen tonen rond de drempelwaarden (volgens NHG: nuchter >6,1 - <6,8 in veneus plasma of >5,6 - <6,0 in capillair volbloed) vormen een groep aangeduid met IFG (‘Impaired Fasting Glucose’), een voorstadium van diabetes m.. Alhoewel, volgens Advies Gezondheidsraad (‘screening op type 2 diabetes’, 2004), met deze nuchtere glucose waarden niet alle personen met een zg. ‘Impaired Glucose Tolerance’ (vast te stellen m.b.v. de oGTT), opgespoord kunnen worden, wordt voor screening door haar de nuchtere glucose bepaling aanbevolen. Bij personen met een gevonden IFG zou grote gezondheidswinst te bereiken zijn door leefstijladviezen.
overgewicht (beter gezegd: te grote middelomvang) is een uitlokkende factor voor stoornissen in het glucosemetabolisme, waardoor IFG of diabetes m. kunnen optreden. Als het gewicht met enkele kilo’s wordt teruggebracht kan deze stoornis soms (bij nog voldoende pancreasbèta- cel capaciteit) ‘verdwijnen’.
soms kan bij volwassenen, op grond van uitsluitend glucose, moeilijk onderscheid gemaakt worden tussen type 1 of type 2. De waarschijnlijkheidsdiagnose type 1 wordt sterker ondersteund naarmate de leeftijd van de patiënt jonger is, de glucose hoger is, het lichaamsgewicht (laag-) normaal is en indien adequate regulering van het glucosegehalte met orale glucose verlagende middelen uitblijft.
een glucoseconcentratie >20 mmol/l kan aanleiding zijn tot de ontwikkeling van het hyperglycemisch dehydratiesyndroom, waarbij zich door verder stijgende hyperglycemie (tot bv. 80 mmol/l) acute complicaties voordoen (bv. verlaagd bewustzijn, gestoord dorstmechanisme, coma). Het syndroom komt weinig voor, maar herkenning is van groot belang gezien de hoge morbiditeit en (onbehandeld) hoge mortaliteit. Het kan voorkomen dat de onderliggende diabetes m. type 2 bij de betroffen patiënt nog niet bekend is. Zie NATRIUM.
het ‘metabool syndroom’ is een, met elkaar samenhangende, groep risicofactoren voor cardiovasculaire aandoeningen. Er zijn enigermate verschillende omschrijvingen van dit syndroom, al naar gelang de opstellers: WHO Diabetes Group c.q. The European Group for the Study of Insulin Resistance c.q. US National Cholesterol Education Program c.q. International Diabetes Federation, enz. Een voor de (eerstelijns-)praktijk goed werkbare definitie is: nuchtere glucose ≥6,1 mmol/l plus middelomvang >102 cm (man) c.q. 88 cm (vrouw) plus triglycerideconcentratie ≥1,7 mmol/l plus HDL-concentratie <1,04 mmol/l (man) c.q. <1,29 mmol/l (vrouw) plus tensie ≥130/85 en/of medicatie. Genoemde afkapwaarden van middelomvang zijn niet toepasbaar op bepaalde etnische groepen (bv. Aziaten) i.v.m. tengere lichaamsbouw.
ad zwangere:
screening, tenminste bij zwangeren die tot een risicogroep behoren of een positieve test op glucosurie hebben. Tevens HbA1c bepalen (dient als beginwaarde). In twijfelgevallen: oGTT. Spoedverwijzing van zwangere met:
ernstige maternale hypoglycemieën kunnen voorkomen bij vrouwen met preëxistente D.M. ondanks (of juist dank zij) intensief streven naar regulatie. Cave, daar zwangere zelf hypoglycemie te laat merkt. Om excessieve groei van de foetus in een zwangere met type 1 D.M. te voorkomen, is strakke regulatie tijdens zwangerschap, m.n. in het 2e trimester, van groot belang. Voor controle instelling is regelmatige meting van glucose, minimaal tienmaal dagelijks, gewenst (A. Kerssen, acad. proefschrift ‘Glucosehuishouding bij zwangere vrouwen met type 1 D.M', Utrecht, 2005).
een afwijkende glucose is indicatie voor vervolgonderzoeken:
anamnese (o.a. familie belasting met hart- en vaatziekten, leefgewoonten).
Quételet-index.
bloeddruk.
cholesterolconcentratie (incl. HDL- en LDL-cholesterol) en triglyceriden.
oogfundus onderzoek.
voetonderzoek.
serumkreatinine.
micro-albuminurie (eerste urine ochtendportie).
hypoglycemie wordt beschouwd als oorzaak van de symptomen als voldaan wordt aan zg. ‘Whipple triad’ (SAN Handboek 2002, hoofdstuk 3.4).
inschatting kans op as. nachtelijke hypoglycemie: 21.00 uur glucose bepalen.