4 Allergie onderzoek
1 Indicaties voor aanvragen
- aanhoudende symptomen die kunnen duiden op atopische ziekte.
2 Referentiewaarden:
De uitslag van kwantitatieve allergeen-specifieke IgE bepalingen wordt
uitgedrukt in kU/l, soms in klassen. Voor een aantal allergeen-specifieke
IgE zijn er grenswaarden, waarboven geldt dat een klinische reactie
te verwachten valt bij blootstelling aan het betreffende allergeen. De
waarschijnlijkheid is groter naarmate de specifieke IgE-concentratie
hoger is.
3 Mogelijk positieve uitslagen bij diverse screeningstesten
- ‘ImmunoCAP™PhadiatopInfant’ is atopietest toe te passen bij resp. peuters met eczeem c.q. voorschoolse en jonge kinderen met rinitis en/of piepend ademhalen. De test bevat de volgende allergenen: koemelkeiwit, kippeëi-eiwit, pinda, huisstofmijt, graspollen, katten- en hondenepitheel. Bij positieve uitslag kan met specifieke testen verder worden uitgesplitst welk(e) specifiek(e) allergeen(en) uit het genoemde panel met de klachten geassocieerd is (zijn). Eventueel kan bij negatieve uitslag van de uitsplitsing verder getest worden op berkenpollen, garnaal, enz.
- ‘ImmunoCAP™Phadiatop’ is een atopietest toe te passen bij volwassenen met astma of chronische rinitis. De test de volgende allergenen: huisstofmijt, graspollen, kattenepitheel, hondenepitheel, boompollen, schimmels en kruidpollen. Eventueel kan bij een negatieve uitslag van de uitsplitsing verder getest worden op huisstofmijt, paardenroos, olijfpollen, enz.
- ‘ImmunoCAP™’: kwantitatieve test op specifiek allergeen.
- ‘PhadiatopCAP™’ test op specifieke allergenen of mengsels, bv. van diverse graspollen of van diverse schimmels, enz.
4 Opmerkingen
- voorbeelden van mogelijke voedselallergenen (belangrijkste): koemelkeiwit, kippeëi-eiwit en pinda’s, eventueel ook granen, soja en vis. Voorbeelden van inhalatie-allergenen: feces van huisstofmijt (is een belangrijk inhalatie-allergeen), graspollen, berken-, els- en eikpollen, katten- en hondenepitheel, boekweit. Het komt vaak voor dat patiënt gesensibiliseerd is voor meerdere allergenen.
- enkele aandachtspunten bij diagnostiek c.q. interpretatie:
- een zorgvuldige anamnese is de hoeksteen van de allergie diagnostiek. Bloedonderzoek, huidpriktest, allergeenprovocatietesten zijn in vele gevallen een (nodige) aanvulling.
- belangrijke diagnostische criteria o.a.: voorgeschiedenis (had patiënt als zuigeling bv. eczeem?), familie-anamnese (astma of eczeem bij familieleden kunnen wijzen op atopische aanleg). Bij eczeem eveneens: aspect en lokalisatie. Verder: leeftijd (met toenemende leeftijd treden verschuivingen op in de allergische symptomen; bij zuigeling bv. piepend ademhalen, gastro-intestinale klachten met, of later gevolgd door, eczeem; boven ca. 3 jr., respiratoire klachten, rino-conjunctivitis (‘hooikoorts’), eczeem en tijdens/in adolescentie astma) en relatie tussen optreden van symptomen met seizoen c.q. verblijfplaats/regio c.q. woon/leefomstandigheden (behuizing, dieren) c.q. beroep. Zie SAN Handboek 2002, hoofdstuk 12.2 voor uitgebreid overzicht.
- bij volwassenen komt allergie voor plantaardige voedselallergenen veel meer voor dan allergie voor voedsel van dierlijke herkomst. Voedselallergie die tijdens jonge kinderjaren meer voorkomt dan inhalatie-allergie, kan een voorbode zijn voor inhalatie-allergie, die zich later ontwikkelt door sensibilisatie voor een inhalatie-allergeen. Allergie voor koemelk kan op den duur bij kind verdwijnen, allergie voor pinda’s (ernstige vorm van allergie, die zich nog al eens manifesteert met ernstige anafylactische reactie; cave voeding waarin pinda’s zijn verwerkt) kan levenslang blijven.
- ad voedselallergie: klinische reactie op eliminatie gevolgd door provocatie met het geëlimineerde verdachte voedselbestanddeel is een diagnostisch criterium (tweede lijn, in eerste lijn eliminatieproef alleen op koemelkallergie).
- kruisreagerende allergenen kunnen diagnostiek compliceren. Bv. allergie voor bepaalde vruchten (avocado, banaan, kiwi) en tevens voor latex (-eiwitten) of allergie voor appels en tevens voor inhalatie-allergenen.
- voedselovergevoeligheid hoeft niet te berusten op voedselallergie. Differentiaaldiagnose kan omvatten lactasedeficiëntie, intolerantie voor histamine enz., intolerantie voor voedseladditieven, Coeliakie en voedselaversie. zie SAN Handboek 2002, hoofdstuk 12.2. ‘Coeliakie is mogelijk de meest voorkomende vorm van voedselintolerantie bij kinderen’ (Richtlijnen van Kindergastro-enterologen, Ned Tijdschr Geneeskd 1999; 143: 451-455).
- fout-negatieve uitslag is mogelijk als het IgE nog niet (voldoende) gevormd is; onderzoek herhalen in bloedmonster dat enkele weken of maanden later afgenomen is. Men houde overigens altijd rekening met fout-negatieve uitslagen.
- naast allergische reacties van het type I (IgE gemedieerd) kennen we nog type II (IgG of IgM gemedieerd, ook cytotoxische reactie genoemd), type III (IgG gemedieerd) en type IV (‘delayed type allergy’). Voorbeelden van type III: allergische alveolitis t.g.v. geïnhaleerde duivenmest of hooischimmel. Voorbeelden van type IV: allergisch contacteczeem. Onderzoeken op (specifieke) IgE testen zijn uiteraard bij de laatste drie typen niet nodig.
Print deze pagina
Copyright © 2012 SAN -
info@de-san.nl