48
Hepatitis C virus-antistoffen
48 Hepatitis C virus-antistoffen
(anti-HCV)
1 Indicaties voor aanvragen
- verdenking op een acute of chronische hepatitis C virus (HCV) infectie. Risicogroepen zijn (volgens Advies Gezondheidsraad, 2004): personen die besmette bloedtransfusies hebben gehad (i.e. vóór 1992), patiënten die behandeld werden (vóór 1992) met bloedproducten voor hemofilie, nierinsufficiëntie enz., allochtonen uit risicogebieden (bv. Egypte, Caribisch gebied), personen met injecterend drugsgebruik.
- niet te verklaren verhoging van ALAT.
2 Referentiewaarden:
negatief
3 Positief bij:
- acute infectie met hepatitis C virus.
- chronische infectie met hepatitis C virus.
- doorgemaakte (genezen) hepatitis C virusinfectie.
4 Opmerkingen
- indien een HCV infectie niet onderkend wordt (icterus bv. treedt niet vaak op), kan zij sluipend, via chronische fase (met milde aspecifieke symptomen), leiden naar cirrose.
- de anti-HCV antistoffen worden pas aantoonbaar tussen zes weken en verschillende (6) maanden na de infectie. In de periode dat seroconversie nog niet heeft plaatsgevonden, is patiënt wel besmettelijk. Na seroconversie is besmettelijkheid niet uitgesloten.
- activiteiten van de leverenzymen (ALAT e.d.) kunnen binnen perioden van weken behoorlijk schommelen (tussen normaal en tot viermaal verhoogd) in hepatitis C patiënten, hetgeen bij follow-up met behulp van deze enzymen problemen kan geven. Zie SAN Handboek 2002, hoofdstuk 4.2.
- als de patiënt het HCV heeft geklaard, daalt anti-HCV langzaam (kan 1 – 2 jaren duren). Ondanks genezing kan een anti-HCV bepaling derhalve nog enige tijd positief uitvallen.
- zowel fout-negatieve als fout-positieve uitslagen zijn mogelijk. Een positieve uitslag moet bevestigd worden met een voor HCV specifieke confirmatietest in een later afgenomen monster. Een fout-negatieve uitslag kan o.a. het gevolg zijn van:
- het niet voldoende gevoelig zijn van de test voor één van de (sub-) typen van het HCV dat de infectie veroorzaakt heeft.
- de test op anti-HCV is te vroeg gedaan; de anti-HCV antistoffen zijn nog niet gevormd. Maandelijks herhalen tot ca. 6 maanden na ontstaan van de symptomen.
- met behulp van amplificatie technieken (waarbij gebruik wordt gemaakt van bv. de PCR = ‘Polymerase Chain Reaction’) kan het hepatitis C virus-RNA worden aangetoond; bij acute infectie reeds vóórdat de vorming van aantoonbaar anti-HCV op gang is gekomen of ALAT is gestegen. Deze techniek kan o.a. van voordeel zijn om fout-positieve uitslagen van een test op anti-HCV te detecteren en in gevallen dat anti-HCV aanwezig is maar de patiënt het HCV al heeft geklaard. In de chronische fase kan het HCV-RNA fluctueren tot zelfs ondetecteerbaar.
- het is mogelijk dat een patiënt (bv. druggebruiker) zowel hepatitis C als B heeft.
- een chronische hepatitis C kan samengaan met leverbeschadiging door een andere oorzaak bv. alcoholisme. Vanwege hierdoor en, door hierboven genoemde hepatitis B, veroorzaakte additionele verhogingen van ALAT zijn dan uiteraard geen afwisselend licht verhoogde en normale ALAT te verwachten.
- transmissie vindt voornamelijk plaats via bloed en bloedproducten en (in sommige gevallen) via seksueel contact.
Print deze pagina
Copyright © 2010 SAN -
info@de-san.nl