
51 HIV-antistof test
1 Indicaties voor aanvragen
- bezorgdheid van de patiënt vanwege bv. kinderwens, behoefte aan onbeschermd contact met vaste partner, seksueel risicogedrag in het verleden, incest, verkrachting, enz.
NB.: tussen laatste risicocontact en de bloedafname moeten minstens
2 - 9 weken liggen, omdat dan pas de productie van antistoffen voldoende op gang gekomen is. Een afname kort na verkrachting kan derhalve alleen dienen voor het verkrijgen van een uitgangs waarde t.b.v. vervolgonderzoek met deze test.
- verschijnselen die mogelijk duiden op een (primaire) HIV infectie (stadium A1: bv. lymfadenopathie of faryngitis, koorts).
- baby (>6 maanden oud, vanwege de benodigde tijd voor antistof ontwikkeling), waarvan moeder tijdens zwangerschap/partus AIDS had of met HIV geïnfecteerd was.
2 Referentiewaarden:
negatief.
3 Positieve waarden bij:
- HIV infectie na seroconversie.
4 Opmerkingen
- de antistof testen op HIV/AIDS zijn gebaseerd op aantonen van antilichamen tegen HIV-1 en/of tegen (veel minder voorkomende) HIV-2. Een positieve uitslag moet (in zelfde monster) bevestigd worden met een voor HIV-1 c.q. HIV-2 specifieke confirmatietest. Dubbelinfectie (zeer zelden) is mogelijk.
- een test op het zg. HIV-p24 antigeen geeft bij besmetting eerder een positief resultaat dan een antistof test. Overleg met uw laboratorium, ook vanwege een (in de beginfase optredende) tussentijdse ‘window phase’, waarin het antigeen niet aantoonbaar is. Een andere mogelijkheid is de amplificatietest op het in bloed aanwezige HIV-RNA (‘viral load’), die eveneens eerder een positief resultaat geeft (vanaf ca. 2 weken na infectie) en m.n. geschikt is voor de followup (als maat voor effectiviteit van de therapie). Fout-positieve en foutnegatieve uitslagen zijn mogelijk. Deze testen, die infectie in een vroeg stadium aantonen, zijn van grote waarde bv. bij zwangere met verdenking op mogelijke HIV besmetting (anamnese) met het oog op zo spoedig mogelijke preventie van verticale transmissie. Voor volledigheid zij nog genoemd de ‘proviraal DNA’ test die na besmetting eveneens eerder positief is dan de antistof test.
- een verlaagd aantal CD4 bevattende T-lymfocyten kan men bij HIV patiënten aantreffen (referentiewaarden CD4 bevattende T-lymfocyten: 0,5 - 1,5 109/l). De daling zet, kort na infectie, geleidelijk in (stadia B-C). Hoewel een tekort aan CD4-T-cellen past bij de werkdiagnose ‘immuundeficiëntie’, kan op grond van een te laag aantal van deze lymfocyten niet geconcludeerd worden dat het specifiek om een HIV infectie gaat; evenmin kan dit geconcludeerd worden op grond van een, bij AIDS voorkomend, verlaagd CD4/CD8 quotiënt (normaal 1,4 -2,8). Bepaling van aantal CD4 bevattende T-lymfocyten kan wel dienstig zijn bij de follow-up. Trombocytopenie kan eveneens bij HIV infectie worden aangetroffen.
Print deze pagina
Copyright © 2012 SAN -
info@de-san.nl