55 Kalium
1 Indicaties voor aanvragen
- veelvuldig braken of langdurige diarree.
- spierzwakte of gevoelloosheid bv. in voeten.
- hypertensie.
- start toediening antihypertensivum (NHG) of verandering (in combinatie met bepaling serumkreatinine).
- vermoeden van digoxine-intoxicatie.
- ontregelde diabetes m.
- zie TACROLIMUS en DIGOXINE.
2 Referentiewaarden:
in serum 3,6 - 5,1 mmol/l.
Bij stolling treedt enig K
+ o.a. uit de trombocyten, zodat de
K
+-concentratie in serum ca. 0,2 mmol/l hoger is dan in plasma.
3 Verhoogde waarden bij:
- verminderde renale K+ uitscheiding (= meest voorkomende oorzaak van hyperkaliëmie). Mogelijke oorzaken: verminderde nierfunctie, hypo-aldosteronisme (bv. M. Addison of hyporeninemisch hypo-aldosteronisme of in sommige gevallen van gebruik van bepaalde medicijnen als bv. ACE remmer c.q. angiotensinereceptor blokker e.d.) of myoglobinurie of K+ sparend diureticum.
- sterk verminderde renale perfusie (maximale retentie van Na+ zodat distaal niet voldoende Na+ meer in de urine beschikbaar is voor uitwisseling tegen K+ o.i.v. aldosteron. We kunnen dan hyperkaliëmie krijgen ondanks dat als reactie aldosteron stijgt).
- overmatige K+ toediening (infuus, zelden na orale toediening tenzij nierfunctie verminderd is).
- verhinderd intreden van K+ in resp. uittreden van K+ uit de intracellulaire ruimte. Bv. insulinetekort, acidose resp. plotseling veel weefselbeschadiging (o.a. bij chemotherapie, rhabdomyolyse). Bij acidose gaat bovendien in de nieren de uitwisseling van Na+ in de urine tegen K+ meer plaats maken voor uitwisseling van Na+ tegen H+, hetgeen ook K+ verhogend werkt.
Verlaagde waarden bij (vele oorzaken):
- K+ verlies (= meest voorkomende oorzaak van hypokaliëmie). Verlies door chronische diarree of door renale aanleiding.
ad renale oorzaak: chronisch gebruik van (niet K+ sparende) diuretica als lisdiuretica en thiaziden (afhankelijk van werkingsduur en dosering, cave gelijktijdig gebruik laxantia), veelvuldig braken, verhoogde mineralocorticosteroïde activiteit (bv. Cushing Syndroom, te lang voortgezette therapie met corticosteroïden, hyperaldosteronisme, overmatig gebruik van drop of zoethoutthee), renale tubulaire acidose (= uitzondering op de regel dat acidose kan leiden tot hyperkaliëmie).
- versterkte verplaatsing van K+ vanuit plasma naar de intracellulaire ruimte. Bv. bij hyperinsulinemie c.q. begin insulinetherapie bij ontregelde diabetes m. zonder voldoende suppletie van K+, bij alkalose (bv. door hyperventilatie), bij start bijvoeding van een sterk ondervoede patiënt. De hypokaliëmie is in beide laatste gevallen kortdurend.
- (zelden) verminderde inname (langdurige ondervoeding, anorexia nervosa).
4 Opmerkingen
- hyper- en hypokaliëmie of ECG-beelden die hierop wijzen vergen snel specialistisch onderzoek (bv. hartritmestoornissen kunnen optreden als serum K+ <3,0 mmol/l of >6,5 mmol/l).
- een digoxinespiegel >2 μg/l met tevens een verlaagd kalium is zeer gevaarlijk.
- hyporeninemisch hypo-aldosteronisme, d.w.z. verminderde aldosteron secretie door verminderde renine afgifte, komt voor bij aandoeningen als diabetische nefropathie, SLE, sikkelcelziekte.
- een weinig voorkomende oorzaak van hypertensie is hyperaldosteronisme (syndroom van Conn), dat vaak gepaard gaat met hypokaliëmie. Een wat frequenter verschijnsel is hypokaliëmie veroorzaakt door overmatig gebruik van drop of zoethoutthee (‘aldosteron-achtige’ werking).
- prednis(ol)on kan vanwege zijn enigszins ‘aldosteron-achtige’ werking resulteren in een daling van de K+-concentratie, meestal nog binnen het normale gebied, soms evenwel in hypokaliëmie.
- maagsap bevat veel chloor-ionen, zodat bij frequent braken veel chloorionen verloren gaan. De hypokaliëmie, die dan optreedt, is (voor een groot deel) het gevolg van reacties door de nieren op dit verlies. Zie SAN Handboek 2002, hoofdstuk 19.1.
- een combinatie van factoren, die elk op zich de concentratie van K+ enigermate kunnen verhogen, houdt uiteraard een wezenlijk risico op hyperkaliëmie in. Te denken valt aan het gebruik van een ACE remmer of een angiotensinereceptor blokker in combinatie met c.q. in aanwezigheid van een (of meer) van volgende factoren: chronische nierziekte (kreatinine klaring <30 ml/min), diabetes m., moeilijk te behandelen hartfalen, hoge leeftijd, medicatie die het functioneren van het renineangiotensine- aldosteron systeem verder verminderen zoals bètablokkers, cyclosporine, K+ sparende diuretica, inname K+-rijke supplementen. Enkele voorbeelden: gebruik van ACE remmer plus bètablokker door bejaarde, gebruik van kaliumchloride per os plus losartan (angiotensinereceptor blokker) plus spironolacton (aldosteron-antagonist). Dit laatste voorbeeld is ontleend aan Ned Tijdschr Geneeskd 2004; 148: 969 – 74.
- fout-verhoogde K+ uitslagen treden op doordat bv. het in de bloedcellen voorkomende K+ in vitro de gelegenheid krijgt om uit deze cellen te treden (K+-concentratie in cellen is ca. 30x hoger dan in plasma). Dit kan gebeuren als:
- tijdens bloedafname beschadiging van ery’s optreedt.
- na bloedafname de serumafscheiding lang wordt uitgesteld.
- na bloedafname van een patiënt met trombocytose c.q. leukocytose bij de serumafscheiding méér K+ uittreedt omdat er zo vele van deze cellen aanwezig zijn.
Print deze pagina
Copyright © 2010 SAN -
info@de-san.nl