61 Natrium
1 Indicaties voor aanvragen
- berekening effectieve plasma-osmolaliteit (stoornis dorstmechanisme bij dementie, ontregelde diabetes type 2, polyurie, tekenen van dehydratie, diuretica gebruik).
- start diureticum (lis-, thiazide-) bij risicopatiënt (bv. bejaarde).
2 Referentiewaarden:
natrium: 135 - 145 mmol/l.
plasma-osmolaliteit: 270 - 290 mOsmol/kg.
3 Verhoogde waarden bij:
- verlies van vocht: te weinig drinken en/of teveel verlies van water c.q. van hypotoon vocht (= water en Na+, maar overwegend water).
- vergaand vochtverlies bij patiënt met diabetes m. type 2, die sinds dagen niet voldoende vocht tot zich heeft genomen dat nodig is om het door de nieren obligaat (vanwege hyperglycemie) uitgescheiden vocht te compenseren. Cave hyperglycemisch dehydratiesyndroom (glucose ca. 50 - 80 mmol/l). Risicogroepen: patiënten die stoppen met de medicatie en/of te weinig drinken (kunnen).
- stoornis dorstmechanisme bij dementie: te weinig drinken, eventueel gecombineerd met verhoogd vochtverlies door koorts.
- onvoldoende productie van ADH (bv. metastase in hypofyse) of onvoldoende respons op ADH: nefrogene diabetes insipidus (bv. gebruik lithium) of congenitale diabetes insipidus; daarbij niet gecompenseerd met voldoende waterinname.
- chronische ernstige diarree met uitdroging bv. bij jong kind t.g.v. laxantia toediening in geval van ‘Munchhausen syndrome by proxy’.
- zelden voorkomend: Na+ overschot. Bv. na toediening van zoute soep bij diarree of inname van veel zeewater.
Verlaagde waarden bij:
- wateroverschot (=overmaat aan extracellulair water). Dit is de meest voorkomende oorzaak van hyponatriëmie.
- osmotische verplaatsing van water uit de cellen naar buiten (bv. bij hyperglycemie).
- SIADH (‘Syndrome of Inappropriate ADH secretion’). ‘Primaire waterretentie’ a.g.v. overmatige ADH productie door hypofyse (bv. soms bij ernstige infectie) of door tumor (bv. kleincellig longcarcinoom).
- ‘secundaire waterretentie’ als antwoord op verlaagd effectief circulerend plasmavolume, zoals bv. bij hartinsufficiëntie, zoutverlies door diureticum. Vooral bij combinatie van thiazide en lisdiureticum is risico op hyponatriëmie groot, m.n. bij oudere patiënten. Als hyponatriëmie ontstaat, dan doorgaans binnen twee weken. Een ander voorbeeld is een combinatie van een thiazide diureticum en een antidepressivum. De secundaire waterretentie wordt bewerkstelligd door versterkte afgifte van ADH en aldosteron.
- overmatig veel water drinken (bv. zware bierdrinker of marathonrenner die veel drinkt, m.n. weinig zout houdende drank); hier is sprake van daling van de plasma-osmolaliteit ondanks de vermindering van afgifte van ADH om dit tegen te gaan.
-
tekort aan Na+:
- overmatig Na+ verlies via nieren (meestal door diureticum, minder door niertubulus aandoening of door insufficiëntie van bijnier om (voldoende) aldosteron af te geven).
- overmatig Na+ verlies, via darm (chronische diarree) of via zweet (bv. koorts).
- (zelden voorkomend) onvoldoende inname, bv. alcoholici en anorexia patiënten.
4 Opmerkingen
- de plasma-osmolaliteit wordt berekend uit{2 x Na+-concentratie + glucoseconcentratie}. Concentraties in mmol/l.
- natriumconcentraties <120 mmol/l of >160 mmol/l kunnen fataal zijn.
- een bekende electrolytstoornis bij gebruik van diuretica is hypokaliëmie. Men zij evenwel ook bedacht op een mogelijk optreden van lichte en soms ernstige hyponatriëmie.
- als gevolg van oplopende (>20 mmol/l) hyperglycemie bij DM type 2 stijgt de osmolaliteit van het plasma zodanig dat water aan de cellen wordt onttrokken en zich een hyponatriëmie ontwikkelt. De osmotische diurese veroorzaakt zoveel vochtverlies dat, als patiënt niet genoeg drinkt (of door verminderd bewustzijn niet kan drinken) om dit verlies bij te houden, de hyperglycemie verder oploopt en zich een hypernatriëmie kan ontwikkelen (‘hyperglycemisch dehydratiesyndroom bij type 2 DM’).
- hyponatriëmie kan pas beoordeeld worden als o.a. volume status, concentratie van K+ in serum, concentratie van Na+ en K+ in urine, serumkreatinine en plasma- en urine-osmolaliteit bekend zijn. Bv. urine-osmolaliteit <100 mOsm/kg sluit SIADH c.q. stimulatie van ADH secretie uit of het is een aanwijzing voor ADH resistentie.
Print deze pagina
Copyright © 2010 SAN -
info@de-san.nl