68 Reumafactor (Rf)
1 Indicaties voor aanvragen
- enige ondersteuning van een reeds klinisch gestelde werkhypothese of waarschijnlijkheidsdiagnose reumatoïde artritis (RA).
2 Referentiewaarden:
<ca. 25 U/l (latexfixatietest of immunochemische bepaling, NHG).
3 Verhoogde waarden bij:
- gezonden (ca. 25%, vooral bij >60 jr).
- reumatoïde artritis (niet in alle gevallen).
- in meerder of minder percentage bij aanverwante systemische aandoeningen (bv. juveniele chronische arthritis met ziektebeeld als RA, sclerodermie, SLE, syndroom van Sjögren).
- chronische leverfunctiestoornis.
4 Opmerkingen
- de NHG stelt dat alleen bij gerede verdenking van RA een positieve Rf bijdraagt aan de diagnose.
- een normale Rf uitslag sluit reumatoïde artritis geenszins uit.
- de hoogte van de Rf correleert met de ziekte-activiteit.
- een verhoogde BSE geeft eveneens enige ondersteuning voor de diagnose RA en een normale BSE sluit deze aandoening niet uit. Zie ook CRP.
- antistoffen tegen CCP (‘Citrulline-Containing Peptides’) komen vrijwel uitsluitend voor bij patiënten met RA. Verbeterde testen op anti-CCP antistoffen hebben een hoge specificiteit voor RA (ca. 95%) en een sensitiviteit (75-80%). Met behulp van een positieve anti-CCP test kan een werkdiagnose ‘reumatoïde artritis’ een sterke ondersteuning krijgen. Daar bovendien bij patiënten in een vroeg stadium van RA anti-CCP antistoffen al aantoonbaar zijn, heeft de uitslag bij die patiënten een sterk prognostische waarde m.b.t. de ontwikkeling van erosieve RA. Afkappunt: ca. 25 mU/ml; daar de test niet gestandaardiseerd is, is overleg met eigen laboratorium over daar gehanteerd afkappunt aangewezen.
Print deze pagina
Copyright © 2012 SAN -
info@de-san.nl