76 Trombocyten
1 Indicaties voor aanvragen
- verdenking op stollingstoornis.
- verdenking op aandoeningen die de aanmaak en/of afbraak van trombocyten beïnvloeden. het kan zinvol zijn bij deze verdenking ook leukocyten en erythrocyten te bepalen.
- controle bij gebruik van geneesmiddelen die remming in de beenmergfunctie kunnen veroorzaken.
- binnen 1 – 2 weken na start van antistolling met heparine c.q. spoedig na herhaalde heparine behandeling.
2 Referentiewaarden:
150 - 400 x 10
9/l.
Kinderen (tot ca. 7 jr.): 150 - 600 x 10
9/l.
3 Verhoogd aantal trombocyten bij:
- essentiële trombocytose. Behoort tot de myeloproliferatieve aandoeningen. Vaak verhoogde bloedingsneiging door slechte kwaliteit van de trombocyten.
- acuut bloedverlies.
- na operatie.
- shock.
- maligniteiten, vooral in voortgeschreden stadia.
- infecties.
- weefselafbraak.
- ijzergebrek.
- in aansluiting op splenectomie.
- zwangerschap (licht verhoogd).
Verlaagd aantal trombocyten bij:
- stoornis in de productie:
- congenitaal.
- aplastische anemie.
- beenmergbeschadiging (bestraling, cytostatica, vele andere geneesmiddelen, benzeen).
- beenmergziekten (leukemie, metastasen).
- chronisch actieve leveraandoening, cirrose.
- toxische beschadiging van de megakaryocyten (alcohol, infectie).
- vitamine B12-deficiëntie.
- foliumzuurdeficiëntie.
- hypothyreoïdie.
- nierinsufficiëntie (uremie).
- abnormale distributie:
- splenomegalie (hypersplenisme).
- toegenomen verbruik:
- massale bloeding en transfusie.
- uitgebreide acute trombose.
- gedissemineerde intravasale stolling. Bv. bij pre-eclampsie.
- toegenomen afbraak:
- idiopathische (immuun) trombocytopenische purpura (ziekte van Werlhof), vaak in aansluiting aan een virusziekte of gebruik van medicamenten
- (denk aan kinine in tonic).
- (soms) heparine-geïnduceerde trombocytopenie (HIT), vooral bij herhaalde (binnen 3 maanden) behandeling. Aanzienlijke daling van trombocyten.
- auto-immuun trombocytopenie bij maligne aandoening van het lymfesysteem.
- ziekte van Henoch-Schönlein.
- trombotische trombocytopenische purpura.
4 Opmerkingen
- niet alleen aantal, maar ook kwaliteit van de trombocyten speelt een rol bij de uitslag van een stollingsonderzoek. Trombocytopathie, soms aangeboren, maar meestal ontstaan t.g.v. gebruik van geneesmiddelen (bv. acetylsalicylzuur en antibiotica) kan een belangrijke oorzaak zijn van een verhoogde bloedingsneiging.
- ‘bij gebruik van ‘Disease Modifying Antirheumatic Drugs’ (DMARD’s) is periodieke controle op beenmerg- (leukocyten, trombocyten), leveren nierfunctie nodig’ (NHG).
- trombocytopenie perioden worden vaak gezien bij HIV infectie.
- voor adequaat functioneren van de stolling zijn minstens 50 x 109/l trombocyten noodzakelijk.
- petechiën wijzen op stoornis in de primaire hemostase (trombocytopenie).
- een auto-immuun trombocytopenische purpura kan onderdeel zijn van een systemische auto-immuunziekte, bv. SLE.
- pseudotrombopenie kan zich voordoen bij aanwezigheid van EDTAafhankelijke antitrombocyten-antistoffen.
- bij een acute leukemie is een (sterke) trombocytopenie (verhoogde bloedingsneiging) vaak een eerst afwijkende bevinding; bij een chronische leukemie een anemie.
- HIT is gebaseerd op vorming van antilichamen tegen plaatjesfactor4- heparine complex en kan ca. 1 - 4 weken na begin heparine behandeling optreden. Daar deze antilichamen enige tijd (tot hoogstens 3 maanden) in de circulatie blijven, kan een binnen deze tijd herhaalde heparine behandeling opnieuw en snel (uren tot 3 dagen) tot optreden van HIT leiden. Bij te late herkenning van HIT is er significant risico van trombo-embolische complicaties. Deze HIT is evenwel te onderscheiden van een, niet op immunologische basis optredende, daling van aantal trombocyten bij begin van heparine behandeling. Deze daling duurt kort, is matig en houdt geen risico in.
- ad neonaten: mutiple huidbloedingen wijzen op trombocytopenie. Het risico op ernstige bloedingen is groot in geval van neonatale alloimmuun trombocytopenie.
Print deze pagina
Copyright © 2010 SAN -
info@de-san.nl