80 TSH
1 Indicaties voor aanvragen
- verdenking op (primaire) hypothyreoïdie of uitsluiting hiervan.
- verdenking op (primaire) hyperthyreoïdie of uitsluiting hiervan.
- follow-up substitutietherapie.
- controle na J131 therapie (zeker 1 maand wachten). Een hypothyreoïdie kan zich, vaak pas jaren na J131 therapie voor M. Graves, ontwikkelen.
- controle geconstateerde subklinische hypothyreoïdie.
- klachten post partum die kunnen wijzen op hyperthyreoïdie of hypothyreoïdie.
- indicaties bij zwangere: zie Opmerkingen.
- (chronisch) gebruik van bepaalde geneesmiddelen (bv. lithium).
2 Referentiewaarden:
0,4 - 3,5 mU/l.
Interindividuele variatie is groter dan de intra-individuele variatie.
Pasgeborenen tot 15 mU/l.
3 Verhoogde waarden bij:
- primaire hypothyreoïdie (kan subklinisch zijn, FT4 dan normaal. Men denke bv. aan bejaarden).
- (primaire) congenitale hypothyreoïdie (sterk verhoogd).
- secundaire hyperthyreoïdie (zelden voorkomend, FT4 verhoogd).
- na thyreoïdectomie of na behandeling met radioactief jodium mogelijk.
- ontbreken van therapietrouw bij voorgeschreven substitutie of onvoldoende substitutie.
- zeer zelden voorkomend: ectopische TSH productie, resistentie tegen schildklierhormoon.
Verlaagde waarden bij:
- primaire hyperthyreoïdie (kan subklinisch zijn; bv. M. Cushing, (multi)nodulair struma, FT4 normaal).
- ongewenste opname van schildklierhormoon: overmatige dosering bij substitutietherapie, psychotisch, ‘hamburger toxicosis’, alternatieve (vermagerings)middelen die schildklierhormoon c.q. schildklierextract bevatten.
- soms begin zwangerschap (lichte daling, 1e trimester, later normalisering). De voornaamste oorzaak is de aanwezigheid van hCG in de circulatie (het hormoon waarop de zwangerschapstest is gebaseerd).
- insufficiëntie hypofyse of hypothalamus (secundaire hypothyreoïdie). Niet in alle gevallen. FT4 verlaagd.
- ‘Euthyroid Sick Syndrome’. FT4 normaal of verlaagd.
4 Opmerkingen
- in de huisartspraktijk kan bij diagnostiek van schildklierfunctie worden volstaan met de TSH bepaling als startbepaling. Bij afwijkende TSH bepale men FT4. Bij verandering in dosering van substitutietherapie of van schildklier supprimerende therapie kan het ca. 1 - 2 maanden duren alvorens een nieuwe TSH-concentratie zich gestabiliseerd heeft. Traagheid in de aanpassing van het TSH-nivo kan eveneens optreden bij een behandeling van hyperthyreoïdie. Dergelijke traagheid treedt niet op bij FT4; in beide situaties is het daarom zinvol tijdens follow-up meteen ook FT4 te bepalen.
NB. Bij gebruik van bepaalde geneesmiddelen kan TSH verlaagd (bv. hogere doses prednisolon, dopamine) of verhoogd (bv. lithium, rifampine, diazepam) zijn. TSH kan (zelden) in acute fase van ernstige ziekte, waarbij de schildklier niet betrokken is, verlaagd zijn (‘Euthyroid Sick Syndrome’). TSH kan verlaagd zijn bij ondervoeding. In al die gevallen is een abnormale TSH géén directe aanwijzing voor een afwijking in de schildklierfunctie.
- ad antistoffen TSI (TSH-receptor stimulerende antistoffen) en anti-TPO (antistoffen tegen schildklierperoxidase): TSI is duidelijk positief bij M. Graves. Anti-TPO is praktisch bij alle schildklierafwijkingen, zij het niet in alle gevallen, verhoogd (zelden bij M. Graves). Hoge titers worden gevonden bij M. Hashimoto. Anti-TPO is negatief bij: ongewenste opname van schildklierhormonen, hyperthyreoïdie a.g.v. ectopisch schildklierweefsel (‘struma ovarii’) en overmatige jodiuminname.
- het NHG wijst erop dat aan osteoporose (ook) een hyperthyreoïdie ten grondslag kan liggen.
- in beginfase van primaire hyperthyreoïdie kan FT4 nog normaal en TSH al verlaagd zijn. In beginfase van primaire hypothyreoïdie kan FT4 nog normaal zijn en TSH al verhoogd.
- een polsfrequentie van <80, zonder medicatie, maakt hyperthyreoïdie zeer onwaarschijnlijk.
- verschillende aandoeningen kunnen soms, onverwacht, afwijkende schildklierfunctie testen tonen. Voorbeelden: dementie (hyperthyreoïdie c.q. hypothyreoïdie), hypercholesterolemie (hypothyreoïdie), depressie (hyperthyreoïdie c.q. hypothyreoïdie), Down syndroom (hypothyreoïdie).
- behandeling van subklinische hypothyreoïdie bij patiënten >85 jr. kan waarschijnlijk achterwege blijven (Ned Tijdschr Geneeskd 2006; 150: 90 – 6).
- normale uitslagen van TSH en FT4 sluiten een schildklieraandoening niet uit, bv. carcinoom, euthyreotische fase van thyreoïditis, niet-toxisch multinodulair struma.
ad zwangerschap:
- hypothyreoïdie tijdens zwangerschap of vóór de conceptie moet terstond gecorrigeerd worden.
- voor het risico voor de foetus bij aanwezigheid van maternaal TSI dat via de placenta bij de foetus kan komen: zie SAN Handboek 2002, hoofdstuk 3.2.
- de NVOG Richtlijn nr. 3 (2001) stelt in ‘Minimaal vereiste zorg’:
- bij verdenking op, bekendheid met of status na een schildklierafwijking dienen TSH en FT4, zo vroeg mogelijk in de zwangerschap, bepaald te worden.
- bij zwangeren met (voorgeschiedenis van) een schildklierafwijking t.g.v. M. Graves dient TSI bepaald te worden.
- zo vroeg mogelijk in de zwangerschap moet adequate therapie worden ingesteld of de medicatie worden aangepast.
- bij zwangeren met thyreostatica of TSI >15 moet post partum de kinderarts/neonatoloog worden ingeschakeld.
Print deze pagina
Copyright © 2010 SAN -
info@de-san.nl