82
Urine-onderzoek


82 Urine-onderzoek

(eenvoudig)

Indicaties voor aanvragen van (eenvoudig) urine-onderzoek

  1. Screenen op (ev. het vervolgen van) pathologie van de tractus urogenitalis. Voornamelijk m.b.t. infectie, maligniteit, trauma of concrementen in de urinewegen.
  2. Zwangerschapsbewaking bij verschijnselen van pre-eclampsie: controle op eiwit in de urine.
  3. Diabetes mellitus: ‘micro-albuminurie’ als signaal voor een beginnende nefropathie bij diabetes m.: 1 à 2x per jaar bij patiënten bij wie D.M. langer dan 5 jaar bestaat. Monster: liefst de eerste ochtendurine. Het concentratiegebied ligt i.h.a. lager dan de detectiegrens van de teststrook: dit onderzoek dient daarom ook als ‘micro-albumine’ te worden aangevraagd. Als andere afwijkingen aan de urinewegen zijn uitgesloten en het (speciale) onderzoek op ‘micro-albuminurie’ bij herhaling positief is, kan een beginnende nefropathie aangenomen worden.
Leukocyten, erythrocyten en eiwit zijn de belangrijkste parameters bij het
onderzoek van de urine. Zie verder: Afwijkende bevindingen bij gebruik
van teststroken.

Er is geen indicatie als het betreft:

  1. Het onderzoek op glucose in urine in het kader van diabetesdiagnostiek moet worden afgeraden; dit kan beter vervangen worden door dat in bloed. Een toevalsbevinding verdient uiteraard nader onderzoek. 
  2. Een mogelijke ‘Bence-Jones proteïnurie’: deze kan niet worden aangetoond m.b.v. een teststrook, doch alleen via het onderzoek van het eiwitspectrum van urine, eventueel gecombineerd met immunofixatie.
  3. Onderzoek op galkleurstoffen ter detectie van lever- of galblaaslijden. Dit onderzoek kan eveneens beter via het bloed plaatsvinden.

2 Keuze van monster en effecten van bewaren

Keuze van het monster
Effecten van bewaren
Invloeden op de uitslag van het teststrokenonderzoek:
Invloeden op de uitslag van sedimentonderzoek
Invloeden op de uitslag van onderzoek met dipslide of kweek

3 Instructie aan de patiënt

Geef, liefst schriftelijke, instructie aan de patiënt m.b.t. het opvangen van
een middenstraal monster. Voorkom het gebruik van verdachte receptacula
(restanten schoonmaakmiddelen of bleekwater in po!) en laat het
liefst een door het lab verstrekt urinepotje gebruiken. Het belangrijkst is
dat het monster vers is; dit betekent vaak dat zg. ochtendurine moet worden
ontraden. Laat zorgdragen voor een snelle aflevering van het monster,
anders: koelen.

4 Aspect (macroscopisch)

Een heldere, geconcentreerde urine maakt een urineweginfectie onwaarschijnlijk.
Sterk geel: gebruik van vitamine B2 preparaat. Geelrood, roodbruin:
urobiline, porfyrine. Idem, na staan: porfobilinogeen. Bruin tot
donkerbruin: methemoglobine. Donkerbruin: bilirubine (bij schudden
geel schuim). Idem, na staan: alkapton (zeldzame erfelijke aandoening in
het metabolisme van fenylalanine en tyrosine) of melanine. Rood: hemoglobine,
myoglobine, consumptie bieten. Troebeling: erythrocyten, leukocyten,
slijm, kristallisatie van zouten uit oververzadigde urine.

5 Diagnostiek m.b.v. teststroken

Met teststroken (dipsticks) kan gecontroleerd (en soms semi-kwantitatief
gemeten) worden op bilirubine, eiwit, erythrocyten/hemoglobine,
glucose, ketonen, leukocyten, nitriet (bacteriën), pH, urobilinogeen en
s.g.. Erythrocyten mogen en leukocyten moeten voor het gebruik van
een teststrook, althans voor een minimaal deel, al in het urinemonster
gelyseerd zijn.

5a Hanteren van teststroken

Bij het hanteren van teststroken neme men het volgende in acht:

5b Afwijkende bevindingen bij gebruik van teststroken

NB. Belangrijk voor de interpretatie is de ‘voorgeschiedenis’ van het monster. Opzettelijke manipulatie komt voor: eiwit, bloed, steen.

BILIRUBINE

Geringe klinische betekenis.

EIWIT (= meestal albumine)

(verhoogd) aanwezig in urine bij:

Opmerkingen

ERYTHROCYTEN

verhoogd (= meer dan 5 à 10 erythrocyten per μl):

Opmerkingen

GLUCOSE

verhoogd (meer dan ca. 0,025 g%, d.i. 0,25 g/l):

Opmerkingen

KETONEN

aanwezig bij:

Opmerkingen

LEUKOCYTEN

verhoogd bij: (= meer dan 10 à 25 leukocyten per μl of meer dan 0 tot 5 per veld 10x40)

Opmerkingen

NITRIET

pH

verhoogd:

Opmerking

UROBILINOGEEN

Geringe klinische betekenis.

5c Voorscreening op een mogelijk afwijkend microscopisch urinesediment d.m.v. een teststrook (‘Teststrook-zeef’)

Men kan door het gebruik van teststroken vooraf schiften welke urinemonsters wel en welke niet voor microscopie van het sediment in aanmerking komen. Een sedimentonderzoek hoeft dank zij deze schifting pas uitgevoerd te worden - en moet dan snel volgen (vanwege de gemakkelijke lyse van leukocyten, erythrocyten en eventuele cilinders) - indien één van de volgende testzones laat zien (in volgorde van belangrijkheid):

6 Zelf uitvoeren van microscopie

Voer pas een sedimentonderzoek uit indien één of meer zeefparameters
niet negatief is (zie boven). Optimaal voor microscopisch onderzoek is dat dit bij voorkeur binnen 1 à 2 uur na mictie uitgevoerd dient te worden. Snelheid en duur van het centrifugeren om een representatief urineconcentraat te verkrijgen: uitgegaan moet worden van een buis (ca. 10 ml) urine, die na centrifugeren (ca. 1500 t.p.m. gedurende 5 min. bij 15 cm rotor-straal), voorzichtig  afgegoten moet worden, waarbij het sediment teruggebracht wordt tot een volume van ca. 1 ml. Kunstfouten en artefacten: haar, textielvezel, zetmeelkorrels, oliedruppels (vaseline), talkpoeder, pollen.
Kristallen (let op: hoge pH door ouderdom urine?): indien storend bij de microscopie kan men deze oplossen door een druppeltje 0,1 N azijnzuur onder het dekglas te laten lopen. Let op zg. ghosts (gehemolyseerde erythrocyten) en maak onderscheid t.o.v. gistcellen.
Glitter cells
: vrij grote (10 - 16 μm) vitale leukocyten, rond of onregelmatig van vorm, met een polymorfe kern en fijne granula in het cytoplasma die een Brownse beweging maken. Naast proteïnurie worden zij vaak aangetroffen bij een (chronische pyelo-) nefritis. De urine is dan altijd hypotoon (s.g. <1,018). Na enige uren loopt het aantal glitter cells en de mate van Brownse beweging terug. Goed te beoordelen in verse urine.
Let bij de aanwezigheid van glitter cells ook speciaal op leukocyten- en epitheelcilinders.

6a Beperking in de betekenis van microscopisch onderzoek

De beperking in de betekenis van microscopisch onderzoek van het urinesediment ligt vooral in de mogelijke lyse van erythrocyten en/of leukocyten in vivo en ex vivo, afhankelijk van de bewaartijd, de pH en het s.g. van de urine. Een zo vers mogelijk monster (max. 2 uur na mictie) is een vereiste voor een deugdelijk sedimentonderzoek. Men bedenke dat het verblijf in de blaas op zich al nadelig kan zijn voor de kwaliteit van het sediment.
De teststrook toont gelyseerde leukocyten en erythrocyten echter wèl aan. Zijn de leukocyten niet met microscopisch onderzoek aan te tonen doch wel met de teststrook, dan is dit een aanwijzing voor een oorspronkelijke aanwezigheid van leukocyten in het urinemonster. Daarom mag microscopische beoordeling van het urinesediment niet los gezien worden van de resultaten van het teststrookonderzoek. Het is te betreuren dat in de literatuur dit aspect wel eens vergeten wordt. De microscopie is namelijk zonder in acht neming van genoemde beperkingen niet te beschouwen als de zg. Gouden Standaard.

6b Afwijkende bevindingen bij microscopie

ERYTHROCYTEN

Let op zg. ghosts (gehemolyseerde erythrocyten) en maak onderscheid t.o.v. gistcellen.

BACTERIËN

Cilinders

Kunnen alleen ontstaan, en blijven langer aantoonbaar, in zure hypertone urine.
Hyaliene cilinders/korrelcilinders (onder hyaliene cilinders vallen ook de zg.
‘cilindroïden’, die aan één kant dun uitlopen) bij:

Erythrocytencilinders
Leukocytencilinders
Epitheelcilinders
Wascilinders/brede cilinders

Slijm

Kristallen

Deze zijn zelden relevant en dienen nooit als primair diagnosticum.

Varia (evt. als toevalsbevinding dan wel contaminatie)

Wormeieren, parasieten, trichomonas (vaginitis, urethritis), fungi (gist, schimmels: candida albicans).

Print deze pagina

Copyright © 2012 SAN - info@de-san.nl